Eindwerk Gids VVR 2009/2010

Conditionering van het trektochtpaard

(foto's volgen nog)

Intro:
Wat veel mensen zich niet realiseren, is dat een trektochtpaard over uitzonderlijke kwaliteiten moet beschikken. Men denkt doorgaans veel te licht over deze benodigde eigenschappen. Een gericht sportpaard dient een aantal vaardigheden te hebben, terwijl een trektochtpaard over ongeveer alle vaardigheden dient te beschikken.

Je weet namelijk nooit wat je onderweg tegen kunt komen. Het betreft vaak een niet te controleren situatie, terwijl een sportpaard doorgaans in een afgesloten piste en onder zeer gecontroleerde omstandigheden zijn ding doet. En dan nog klagen deze sportruiters over wapperende vlaggen, waar hun paarden van zouden kunnen schrikken!

Het trektochtpaard dient altijd onder controle te zijn, in alle (on)mogelijke situaties, of dat nu een geirriteerde automobilist betreft, of een gehaaste maiskneuschauffer, gladde wegen of diepe modderpaden, steile weggespoelde hellingen, loslopende agressieve honden of een op hol geslagen paard, het paard moet blijven luisteren naar de signalen van de ruiter, ook al is het geheel tegen zijn natuur is.

Deze lezing gaat over de benodigde eigenschappen van het trektochtpaard en hoe deze te verbeteren :DE CONDITIONERING VAN HET TREKTOCHTPAARD

Trektocht: Met paard door het terrein rijden met een recreatieve doel


Hoofdstuk 1.
Wat zijn de belangrijke eigenschappen van een goed trektochtpaard.

1.01 Bodemvastheid en zelf-redzaamheid, ook in zwaar en ongelijk terrein.
-Kan het paard in eigen evenwicht lopen, met losse teugel?
-Struikelt het snel of maakt het een stabiele indruk?
-Loopt het paard op de voorhand of over 4 benen?
-Is het paard snel uit evenwicht als het terrein ongelijk is?
-Met welk gemak loopt het paard bergop- en bergafwaarts?

1.02 Stressbestendigheid.
-Hoe rustig is het paard van nature en onder diverse omstandigheden?
-Hoe is het paard op een vreemde stal, in de trailer, met andere paarden?
-Hoe reageert het paard als andere paarden vertrekken of raar doen?
-Hoe is het paard in het donker met kunstmatige verlichting, etc?

1.03 Zelfstandigheid t.o.v. de kudde.
-Hoe reageert het paard in de kudde, plakt ie, kan ie er van af?
-Kan het paard luisteren naar de ruiter en het kudde instinct weerstaan?

1.04 Het voor zichzelf kunnen/willen zorgen.
-Wil het paard drinken als het dorst heeft?
-Drinkt het paard uit alle emmers, beken/sloten, vreemde bakken, plassen, etc?
-Piest het paard op tijd en overal?
-Wil het onderweg blijven eten?
-Is de belangstelling van het paard ten alle tijde gericht op eten en drinken, ook als de omstandigheden niet ideaal zijn?

1.05 Moed voor het overwinnen van hindernissen.
-Kan het paard op commando iets ongewoons overwinnen, zoals een houten brug, een sloot over of een beek in?
-In geval van gidspaard, durft het paard dit als "eerste schaap over de dam"?

1.06 Kan het paard zich gedragen naar de gevraagde maatstaven?
-Kan het paard vaststaan?
-Kan het zich gedragen met opzadelen?
-Kan het stil staan als dat gevraagd wordt?
-Laat het paard zich netjes opladen in transport?

1.07 Sociaal gedrag naar andere paarden.
-Is het paard gewend met andere paarden om te gaan, kan hij samen met andere paarden in een weiland of pleisterplaats staan?
-Heeft het paard de neiging te slaan of te bijten naar andere paarden?
-Zo ja, heeft dit instinctmatige oorzaken (bv merrie slaat naar een ruin) is het dominantie of is dit asociaal gedrag?

1.08 Verantwoord gedrag naar mensen.
-Is het paard niet gevaarlijk voor mensen?
-Heeft het paard de neiging naar mensen te slaan of te bijten?

1.09 Goede constitutie.
-Hoe sterk en gezond zijn hart, longen, stofwisseling?
-Hoe sterk zijn de botten en pezen?
-Heeft het paard van nature een goede gezondheid?
-Is het paard snel kreupel of kan hij toch wel tegen een stootje?
-Wil het paard blijven eten als hij moe is?

1.10 Goede lichaamsbouw en correcte beenstanden/gangen.
-Hoe is de rug van het paard? Kan hij zonder veel moeite een zadel op?
-Kan hij het ruitergewicht aan? Ook met extra bagage? Ook tijdens dagenlange stapsessies?
-Zijn de beenstanden correct? Dit ivm blessures.
-Zijn de gangen economisch?

1.11 Verkeersmak en controle.
-Is het paard betrouwbaar tussen autos en ander verkeer?
-Blijft het paard onder controle onder minder prettige omstandigheden?

1.12 Passen bij de eigenschappen van de ruiter.
-Past het karakter van het paard bij die van de ruiter?
-Kunnen ruiter en paard samenwerken?
-Is de dominantieverhouding tussen ruiter en paard correct?

1.13 Basisconditie.
-Heeft het paard van nature een goede conditie?
-Hoe is het paard zonder doelgerichte training?
-Hoe snel hersteld een ongetraind paard van een bepaalde inspanning?

1.14 Extra kwaliteiten, zoals het voorop kunnen lopen, bv in geval van gidspaard of soloritten.
-Als het paard nodig is als gidspaard, kan hij met weinig moeite voorop lopen?
-Als het de bedoeling dat er solo gereden wordt, kan het paard alleen lopen?

Hoofdstuk 2.
Hoe gaan we de bestaande eigenschappen verbeteren of niet bestaande eigenschappen aanleren:

2.01 Bodemvastheid en zelf-redzaamheid van het paard in het terrein.
-Leer het paard op eigen benen lopen, door met losse teugel te rijden. Misschien dat het paard in het begin veel struikelt, maar uiteindelijk is het toch min of meer gedwongen om op te letten. Bij een struikelend paard dient de ruiter goed achterover te blijven zitten, zodat het ruitergewicht niet op de voorhand schiet en de ruiter er mogelijk afkiepert.
-Rij met been- en gewichtshulpen, gebruik de teugels enkel indien nodig. Rij desnoods een tijdje met een neckrope, in combinatie met het hoofdstel. Je bent dan veel meer geneigd met je gewicht te sturen. Voordat je aan het hoofd begint te trekken, heb je al de richting aangegeven, waardoor het paard sneller reageert op het gewicht. Ondersteun met je benen, maar ook alleen indien nodig.

-Rij veel door het kreupelhout en over ongelijk terrein, bv een stoppelmaisveld.
-Laat hem met gestrekte hals de bodem bekijken.
-Rij veel berg op en af, help hem zo weinig mogelijk met teugelhulpen.
-Leer het paard ondertreden bij bergop gaan
-Leer hem op zijn kont naar beneden glijden, eerst op vlakke hellingen, daarna steeds steiler, naderhand ook in een andere gang als stap. Het paard dient vertrouwen te krijgen in zijn eigen lichaam


2.02 Stressbestendigheid van het paard.
-Stel het paard bloot aan diverse omstandigheden en leer hem dat het allemaal niet zo erg is. Zoek rare maar controleerbare problemen op. Zorg dat je deze als ruiter c.q. begleider altijd op kunt lossen. Blijf zelf kalm en rustig, en wek vertrouwen bij het paard op. Wees een dominante zelfverzekerde leider voor hem.
-Volg mogelijk de cursus "stressvrij paard" bij Syntra of Paardenmanieren.

-Neem het zoveel mogelijk overal mee naar toe, zonder dat daar zware belastingen gevraagd worden. Wij namen vaak jonge paarden mee naar de wedstrijd, zonder met hen deel te nemen aan de wedstrijd. Ze leerden dan transporteren en overnachten op vreemde plaatsen, zonder dat daar wedstrijdstress bij kwam. Veel paarden vinden het leuk en spannend om ergens naar toe te gaan, maar zodra ze dit gaan associeren met vermoeidheid, prestatiedrang van de ruiter en angst, werkt dit averechts.

-Bedenk dat het paard van nature altijd overal het nut van in moet zien. Eten staat vrijwel op de eerste plaats van nuttige dingen en zal door het paard bijna altijd geaccepteerd worden om angsten of stress te overwinnen. Mocht je als ruiter dit soort situaties voorzien, zorg dan dat er eten is. Voorbeeld, een paard dat bang is van rammelende plastic zakken, zal dit zeer makkelijk overwinnen zodra hij merkt dat er iets eetbaars in zit. De volgende rammelzak wordt niet langer met angst benaderd, maar met de nieuwsgierige hoop dat er ook ditmaal wat eetbaars in zit. Paarden die niet graag vervoerd worden in trailer of camillon, zullen dit anders gaan bekijken als er elke rit een maaltijd in genuttigd kan worden. Zo zijn voor vele vervelende situaties etensoplossingen te vinden.... Bestrijd instinct met instinct...

2.03 Zelfstandigheid van het paard tov de kudde.
-Het is bekend dat een paard een kuddedier is en dat zijn primaire belang is dat hij een onderdeel blijft vormen van die kudde, om in leven te kunnen blijven. Het syncroniseren, dwz volledig reflexmatig handelen zoals de kudde handelt, is een oerinstinct wat de ruiter er niet zomaar even uitkrijgt. Het paard moet de ruiter gaan beschouwen als "zijn kudde" en de andere paarden zien als een andere kudde, ondergeschikt aan zijn eigen kudde. Zolang deze optimale vorm van samenwerking nog niet bereikt is, kan men niet verwachten van het paard dat het beter naar de ruiter luistert, als zijn instincten op te volgen.
-Voor mensen met problemen op dit vlak, is het raadzaam om zich te verdiepen in de Parelli methode, die zich helemaal gespecialiseerd heeft in syncronisatie tussen ruiter/begleider en paard. D.m.v. DVDs kan men deze methode stap voor stap aanleren. Ze begint met grondwerk en paardenspelletjes, waardoor het paard steeds meer vermoed dat de ruiter/begleider zijn kudde is. "The horse thinks you are his mama..."

-Leer het paard achterblijven en vooruitrijden zonder dat deze in paniek raakt, laat het vertrouwen hebben in de ruiter en het globale kudde instinct overwinnen door klein te beginnen en steeds verder uit te bouwen. Blijf tien meter achter en rij tien meter voor, bouw dit uit naar bv. 100 meter, ga uiteindelijk uit het zicht van de andere paarden en rij desnoods een parallelroute.

-Leer het paard dat het altijd weer terug kan naar de veilige kudde, maar dat het gewoon niet nodig is omdat er geen gevaar dreigt. Voorbeeld, als het paard moet plassen, hoeft de rest niet op hem te wachten, want hij loopt dit later wel weer in. In de natuur gaan paarden ook niet op elkaar wachten, de achterblijver weet dat hij het wel weer inhaalt. Het is de ruiter die het paard paniek aanleert door de andere paarden op hem te laten wachten. Schat de situatie zo in dat het paard leert zelfstandig te kunnen handelen, zonder dat het daar slechter van wordt. Voorbeeld, als het niet plast omdat de rest van de paarden niet op hem wacht, dan is dit systeem nog niet goed werkend en zal de ruiter een beslissing moeten maken om de anderen te vragen toch op hem te wachten.

-Het kan ook handig zijn andere gangen aan te nemen als de rest van de paarden, zonder deze daarbij te storen natuurlijk. Jog als de rest stapt, galopeer langzaam als de rest wat sneller draaft, en draaf eens hard als de rest galopeert. Het lijkt nergens op te slaan, maar hierdoor leert het paard al dat het niet hoeft te doen wat de dandere paarden doen, maar wat de ruiter van hem verlangt. Hierdoor wordt de band tussen ruiter en paard ongemerkt wel degelijk versterkt!

2.04 Het paard dient voor zichzelf te kunnen/willen zorgen.
-Leer het paard altijd en overal te drinken. Dit doe je door het paard een nacht en ochtend geen water te geven voor de rit, en onderweg diverse manieren van water aan te bieden. Zet vreemde emmers met water neer, rij langs een sloot en zoek plassen op. Omdat het paard serieus dorst heeft, zal het zijn eerste aversie tegen de vreemde dingen overwinnen en zijn dorst lessen. Hierna zal het sneller geneigd zijn om uit rare dingen te willen drinken. Neem het paard mee op tocht met ervaren paarden, die geneigd zijn overal uit te drinken. Een paard imiteert heel snel andere paarden en zal er zijn voordeel mee doen.
-Dwingen om te drinken is niet aan de orde. Sommige paarden hebben gewoon niet zo snel dorst. Ga na of het drinkgedrag thuis anders is als onderweg. Drinkt het paard thuis veel en onderweg weinig, dan is het niet goed. Dronk het thuis ook al niet zoveel, dan is onderweg weinig drinken normaal en hoeft men zich geen zorgen te maken.
Thuis uitvinden hoeveel paarden drinken doe je door te werken met emmers, en de automatische drinkbak tijdelijk af te sluiten. Hou desnoods een logboek bij voor de echte probleemgevallen, om zo tot een oplossing te komen.

-Paarden die hebben geleerd goed voor zichzelf te zorgen, kunnen je soms echt versteld doen staan. Ons bekenste endurancepaard Touch of Temperament maakt ons duidelijk dat het wilde drinken, door de lege emmer onze richting in te stampen, of bij het opzadelen heel hard tegen de vrachtwagen of deurpost aan te schoppen. Dit deed ze nooit met eten, al at ze heel graag. Maar eten was niet zo een grote noodzaak als drinken.

-Geef het paard onderweg ruim de gelegenheid om te kunnen plassen, door verschillende pauzes in te lassen. Bij voorkeur in een groep, waar ook andere paarden moeten plassen. Zien plassen doet plassen! Als het paard eenmaal goede ervaringen heeft met plassen, zal het minder geneigd zijn zijn plas op te houden.
-Het is ook een verantwoording van de ruiter, want als het paard aangeeft te moeten plassen, dient de ruiter hier ogenblikkelijk gehoor aan te geven en hier de gelegenheid toe te geven. Doet men dit een aantal keren niet, dan zal het paard niet meer aangeven te moeten plassen en zijn plas ophouden, met alle schadelijke gevolgen van dien.
-Veel paarden kunnen leren plassen op commando. Natuurlijk is dat erg afhankelijk van paard en ruiter en meestal komt dit na een tijd vanzelf, als er een patroon in de rit optreed. Elke twee uur pauze bv, kan er voor zorgen dat het paard standaard leert elke twee uur te plassen.

-Het is misschien niet fijn als het paard onderweg wil eten, maar het geeft wel aan dat het een gezonde instelling heeft. Het is dan ook zeker niet slecht om regelmatig het paard onderweg de gelegenheid te geven, op initiatief van de ruiter. Een mooie gelegenheid is bv als er ruiters een sanitaire stop moeten maken, de weg gezocht wordt op kaart, of er iets uit de bagage genomen wordt, etc. De gids kan dan roepen "Schaften!", wat voor de ruiters het signaal is om de paarden even de kans te geven een hap gras of bladeren tot zich te nemen. Als dit consequent onder controle wordt toegestaan, en daarbuiten niet, zal het paard niet steeds vervelend naar voer grijpen, maar toch heel happy blijven onderweg.

-Als dit systeem algemeen aanvaard is, kan de ruiter dit mooi gebruiken om problemen op te sporen. Als het paard een verborgen blessure heeft of onzichtbaar vermoeid, dan zal het zijn belangstelling voor voedsel verliezen, wat voor de ruiter een indicatie is dat er iets aan de hand is. Hierdoor kan men op tijd het probleem inschatten en mogelijk oplossen.
-Er zijn paarden die op den vreemden niet of slecht willen eten. Probeer door middel van extra lekker en makkelijk verteerbaar voer, het paard te overtuigen dat eten wel degelijk de moeite loont. Stap af van het principe dat het paard altijd hetzelfde voer moet hebben, en geef hem op een andere locatie iets totaal anders... Goede alternatieven zijn kruidenmuesli, slobber, gerstenvlokken, iets met natte zemelen, etc.

2.05 Moed voor het overwinnen van hindernissen.
-Onderweg kom je altijd wel iets te overwinnen tegen. Een houten brug, een door te waden beek, een over te steken sloot, bokkende koeien in een weiland, lastige fietsers die niet aan de kant gaan, off the road motors, etc. Zeker als men gaat rijden in een wat ruiger terrein als de Belgische Ardennen of de Duitse Eifel. Op zich moet het paard voldoende vertrouwen hebben in de aanwijzingen van de ruiter, op de hindernissen zonder al teveel problemen te kunnen overwinnen. Dit klinkt allemaal heel makkelijk maar de weg er naar toe is vaak lang en vol hobbels...

-Omdat dit theoretisch niet op te lossen is en per geval veel verschillende oplossingen zijn, raad ik aan de mensen die er problemen mee hebben, of denken te krijgen wegens een jong of angstig paard, dit in de praktijk op te lossen:
-Trail of T.R.E.C.training, veel hindernissen tonen en met rust aanleren,
-Training stressvrij paard bij Syntra of paardenmanieren.be,
-Spelletjes doen volgens de Parelli methode.

2.06 Kan het paard zich gedragen naar gevraagde maatstaven?
-Kunnen vaststaan, zich gedragen met opzadelen, stil kunnen staan, etc. Dit alles vergt de nodige tijd, maar het is zeer belangrijk. Zoek waar nodig hulp van profs, want veelal zijn de fouten van het paard de fouten van de begeleider. Dat wil zeggen, als de begeleider niet concequent genoeg is in zijn opvoeding, gaan dit soort basistechnieken vaak de mist in. Wees dus hierbij eerlijk en durf hulp te vragen.
-Basistechnieken aanleren met rust en consequentie. Straffen alleen als het paard weet dat het fout zit. Belonen als het paard iets goed doen wat hij nog niet eerder zo netjes deed. Beschouw het paard als een kind dat naar school gaat. Teveel straf veroorzaakt demotivatie en spijbelen, terwijl veel belonen voor motiveerd en stimuleert. Vaak bestaan er trucjes om te voorkomen dat een paard wat al te graag gaat hangen. Het touw waarmee het paard vaststaat inruilen voor een speciale elastiek wil nog wel eens werken. Een dusdanig sterk halster en touw dat het niet kan breken is gevaarlijk. Bedenk dat er altijd iets stuk gaat bij het hangen. Dan liever het touw dan de neus van het paard... Een strotouwtje dat net iets korter is als het vastbindtouw door de ring van het halster en over de neus leggen, waardoor het pijn doet als het paard gaat hangen, werkt ook goed.
-Het is fijn als je je paard overal even vast kunt zetten, van lantaarnpaal bij de kroeg tot een klein boompje als iemand anders onwel is geworden. Benut elke kans om je paard dit te leren en hou het in begin goed in de gaten, tot het geheel vertrouwd is met de situatie.

-Gevorderde technieken, zoals zonder enige hulp los stil blijven staan, kan soms erg makkelijk zijn, maar vergeet niet dat elk paard, hoe braaf en gehoorzaam ook, toch in paniek kan raken en weg kan rennen. Doe het dus zo weinig mogelijk, laat liever iemand je paard vasthouden. In de TRECsport, een soort van trektochten rijden in wedstrijdverband, is het een vast onderdeel van de hindernissen, wat dus aangeeft dat het een praktijksituatie betreft.

2.07 Sociaal gedrag, niet slaan of bijten naar andere paarden, in groep kunnen.
-Ga eerst na wat de oorzaak is van het asociaal gedrag. Betreft het een merrie die slaat naar mannelijke paarden, dan kun je enkel de merrie op een plaats in de groep zetten, waar ze zich niet bedreigd voelt. Dit kan zijn achteraan of tussen andere merries. Mocht de merrie slaan, dan hoef je het als ruiter nog niet oke te vinden en mag je het gedrag best bestraffen, maar je dient altijd in je achterhoofd te houden dat dit een oerinstinct is, waar de mens op zich geen bemoeienis mee dient te hebben.
-Betreft het gewoon een agressief paard, dan mag het van de ruiter duidelijk de boodschap krijgen dat dit gedrag niet aanvaard wordt. Een tik met de zweep, of een andere straf, ogenblikkelijk volgend op de slag, zal het paard leren dat dit niet de bedoeling is. Om risico te verminderen, kan men ook met dit paard achteraan rijden, maar beter is om hem af te leren naar anderen te slaan.
-Betreft het een jong of groen paard, of een paard wat solo is opgegroeit, dan zal het de straf niet snappen en nemen we een langere weg... Voorzichting aan beginnen met socialiseren, zodat het paard leert met de andere paarden om te gaan. In den beginne op afstand om zijn nieuwsgierigheid op te wekken en zich niet bedreigd te laten voelen, naderhand steeds wat dichterbij, met paarden die bij hem of haar passen. Dit kan zijn een laag in rangorde staand paard, of juist een heel dominant paard wat respect afdwingt. Neem alle voorzorgsmaatregelen en geef het paard de tijd zich aan te passen. Straf het licht bij verkeerd gedrag, zodat hij weet wat de bedoeling is, maar zie het als een correctie en niet als straf.

-Voernijd kun je voorkomen door de paarden op afzonderlijke tijden te voeren. Elk paard leert dat hij geen eten krijgt als de ander eten krijgt en weet dat hij het op een ander tijdstip wel krijgt. Gezamelijk voeren werkt voernijd in de hand. Helaas wordt dit heel vaak toegepast, waardoor de paarden juist leren dat ze eten krijgen als anderen dat ook krijgen. In dat geval hebben de ruiters geen andere keus als heel strikt gezamelijk voeren.
-Bij voorkeur ruwvoer voeren, dan is het paard lang bezig. Krachtvoer werkt voernijd in de hand, omdat het paard dan heel snel en gestresst zijn eten op eet. Krachtvoer dus liever geven als het paard apart staat, ver buiten de kudde, bv na het afzadelen aan de trailer of buiten de wei.

2.08 Verantwoord gedrag naar mensen, niet slaan of bijten, etc.
-Probeer allereerst de oorzaak te vinden van dit gedrag. Is het paard gewoon lomp en dominant, of heeft het mogelijk negatieve ervaringen met mensen gehad? Sommige paarden zijn mishandeld, verwaarloosd, opgesloten. Anderen zijn mogelijk heel erg verwend en hebben geen respect meer voor de mens.
-Als basis gaan we het paard bekend maken met alle handelingen, zoals poetsen, voeten opnemen, trekken aan oren en staart, etc. Zodanig dat het paard vertrouwen in de mens krijgt.
-We moeten achterlangs en voor het paard door kunnen lopen, zonder geslagen of gebeten te worden. Ook mag de mens niet onderste boven gelopen worden. Oefen dit met de nodige voorzichtigheid en leer het paard slechte gewoonten af, naar de aard van de oorzaak. Een harde hand mag bij respectloze of dominante paarden, maar geduld is nodig bij paarden die uit angst zich verdedigen!

-Ook de mens zelf heeft hier natuurlijk zijn verantwoordelijkheden. Niet alles kan aan het paard worden toegeschreven. Zo is het paard een prooidier en zal het verschieten als het ongemerkt van achteren benaderd wordt! Praat of fluit daarom als je je paard vanachteren zou moeten benaderen. Maak geen onverwachte bewegingen en doe geen domme dingen, dan zal het paard ook niet schrikken of in paniek raken...

2.09 Goede constitutie: gezondheid, blessurevrij en tegen een stootje kunnen.
-Laat je paard vroeg in het seizoen eens helemaal nameten door een dierenarts, laat de bloedwaardes meten, hart en longen onder belasting (het paard wordt gelongeerd in zwaar zand, van te voren, erna en na een herstelperiode worden de waardes gemeten) Hierdoor krijg je een mooi beeld van de constitutie en krijg je een indruk aan welke belasting je je paard zou kunnen blootstellen.
-Kijk onderweg of je paard honger heeft heeft. Een paard hoort overal en altijd te willen eten. Is dit niet het geval, dan kan het een voorbode zijn van oververmoeidheid, grote dorst of een sluimerende blessure. Het is altijd de verantwoording van de ruiter om zijn paard te kennen en in te schatten. Kennis van de standaard constitutie is daarbij zeer belangrijk.

-Een goede constitutie kun je niet echt aanleren of verbeteren. Die heeft het paard of hij heeft het niet. Het is dus een goede zaak hierbij aankoop of fokkerij al op te letten. Paarden met een minimum aan 25% Arabisch bloed, hebben vaak een hele goede constitutie, zijn zeer makkelijk in conditie te krijgen en hebben weinig last van blessures. En met slechts 25% heb je maar weinig last van de lastige eigenschappen van de Arabier, zoals kijkerigheid, klein en smal van bouw, stress, eenkennigheid en moeilijk te rijden.
Ook veel koudbloedponies zoals Haflingers en Fjorden, Tinkers en Ijslanders zijn vaak bikkelhard en kunnen tegen een stootje. Deze rassen of kruisingen ervan zijn dan ook uitermate geschikt voor trektochten. Verder is de Quarter eeuwenlang gefokt op zijn trektochtcapaciteit, al is dit er in de moderne vorm wel uitgefokt. Men fokt steeds meer sportgericht, spinnen en stoppen zijn belangrijker geworden als veilig van A naar B...

-De manier waarop het paard is opgegroeit speelt ook een grote rol. Paarden die nooit op stal zijn gehouden, hebben veelal meer weerstand tegen slechte weersomstandigheden en bezitten een goed ontwikkeld bewegingsmechanisme. De winterhardheid gaat wel vaak samen met een dikke vacht.

-Botten en pezen kun je goed hard maken door veel op de harde weg te rijden. Mensen die zweren bij hoefijzerloos rijden, mijden vaak de harde weg en zullen dus maar weinig gebruik maken van deze training, die toch zo vreselijk belangrijk is! Begin altijd met stap op de harde weg. Pas in een veel later stadium kun je gaan draven op de harde weg. Uiteindelijk zal een getraind paard ook weinig last hebben van de impact van galoperen op de harde weg. Glijden met ijzers op de weg hoeft geen probleem te zijn, een paard past zich makkelijk aan, pas wel je snelheid aan in de bochten.
-Een prima test om te zien of de pezen goed hard zijn is om het paard zelf een keuze te laten maken, in de berm rijden of op de weg. Kiest het paard voor de berm, die vaak ongelijk is en moeilijker loopt, dan zijn de pezen nog niet hard. Het paard is bang of heeft pijn bij de impact op de straat of er sluimert zich een peesblessure. Kiest het paard voor het asfalt en past het bij overgang van berm naar asfalt geen snelheid aan, dan zijn de pezen hard en heeft het paard er geen last van. Doe deze test regelmatig om de blessures in te schatten.

-Hart en longen zijn belangrijk bij hogere snelheden, klapzand en bergachtig terrein. Wil je rijden in zwaar terrein, dan zul je hart en longen moeten trainen. Dit doe je door langere draftrainingen en galoptrainingen. Bij koudbloedponies zul je hiervoor veel meer tijd nodig hebben als met bloedpaarden. Mijn Anglo Arabier galopeerde tijdens een endurancewedstrijd eens 34 kilometer achtereen, om op de vertgate binnen te komen met 56 hartslag. Ook in de bergen had dit paard nog geen ademnood als ze boven op de berg aankwam. Natuurlijke aanleg en de juiste training
Waren hier de oorzaak van. Niet elk paard is te trainen tot zoiets, de aanleg blijft altijd een belangrijke factor. Neem geen risicos...

-Het is belangrijk dat het paard na een zware tocht nog goed wil eten, want niet meer willen eten duidt op onevenredige vermoeidheid. De stofwisseling kon de tocht niet genoeg bevooraden met de juiste hoeveelheid energie. Ergens is dus wat fout gegaan. Het kan zijn dat de tocht te zwaar is voor dit paard, de ruiter heeft een inschattingsfout gemaakt of het paard heeft iets onder de leden. Let hier als ruiter goed op, want doorrijden met een stofwisselingsprobleem, kan de dood tot gevolg hebben.

-Een paard en een hond, hinkelen om een stront, zegt een oud gezegde. Kleinzerige paarden zijn niet ideaal als trektochtpaard, want een paard wat snel kreupel is, is een zware last voor de andere ruiters en de organisatie van de tocht. Het paard moet worden opgehaald, de groep heeft een nare onderbreking van de rit en soms zelfs moet de hele tocht worden afgeblazen. Bij aankoop een paard uizoeken wat niet al te kleinzerig is, is niet zo makkelijk, je kunt nu eenmaal niet testen of ie kleinzerig is. Maar een goed uitgevoerde buigtest kan soms uitkomst bieden. Laat dit enkel doen door een dierenarts. Veel handelaren zijn er erg handig mee, maar zijn er niet voor opgeleid en kunnen schade berokkelen.

-Mocht alle training, aankooppreventie en de nodige voorzichtigheid onderweg niet helpen en krijgt je paard toch een blessure, dan moet je hem voldoende tijd geven om te herstellen. Denk daarbij soms in maanden of jaren. Een blessure komt makkelijk terug en eenmaal blessuregevoelig, is voor een trektochtpaard absoluut het einde van zijn carriere. Neem bij een wat grotere blessure een resoluut besluit, laat je merrie dekken of zet je ruin een jaar lekker ergens in het land, leen of koop een ander paard en doe daar je ding mee, totdat je eigen paard weer optimaal fit is voor de tochten...

2.10 -Goede lichaamsbouw en correcte beenstanden/gangen.
-Het trainen van de rugspieren gebeurd door een voorwaarts-neerwaartse hoofd/halshouding. De rugspieren worden hierdoor aangetrokken en zullen zich beter gaan ontwikkelen.
Goede rugspieren zijn nodig om het gewicht van de ruiter te kunnen dragen en geen last te krijgen van het zadel. Natuurlijk is het belangrijk om te rijden met een goed passend zadel, maar onderschat niet de voordelen van een gespierde rug. Dit kan een schat aan problemen voorkomen. Een boomloos zadel verdeeld erg weinig druk en heeft op langere tochten maar weinig voordelen. Ook zonder zadel rijden is geen optie omdat de zitbeenknobbels van de ruiter erg op de rug van het paard drukken.

-Het correct recht leren lopen, dit kan door in de piste de hoefslag als rechte lijn te gebruiken. Buiten kan men ook iemand achter je laten rijden en zeggen of het paard scheef loopt en in welke zijde. Met wat hulp is het paard na verloop van tijd een stuk rechter in lijf en leden.
-Veel ruimte in de passen door een lange lage hals, en met tempo daar achteraan rijden. De gangen dienen van achter naar voren gereden te worden. Stap ruim, draaf ruim en galopeer rustig. Een trektochtpaard is gebaat met economische gangen die weinig energie kosten. Dit kan hij namelijk makkelijk lang volhouden. Voorwaartse gangen zijn zowel voor ruiter als paard onspannender als een opwaarste stuitergang. Daarom zijn rassen als Fries, Lipizanner, Lusitano en Andalusier niet echt geschikt voor trektochten. Uitzonderingen natuurlijk daargelaten.

-Veel recreatieve ruiters zijn niet bekwaam om het paard te gymnastiseren. Het zou geen kwaad kunnen om bv in de wintermaanden wat lessen te nemen in de basis. Ook kun je met een paard dat duidelijk lichaamstraining nodig hebt, deze een tijd ergens in training zetten, tot de rug sterker is, of het paard beter recht loopt etc. Vergeet niet na deze training daar zelf ook les te nemen, anders kun je de knoppen niet vinden, haha.

-"Sturen is niet storen", is een mooie regel. Het is beter het paard niet uit evenwicht te brengen door geen hulpen te geven, dan uit evenwicht te brengen door de verkeerde hulpen te geven. Ruiters die helemaal niet kunnen rijden doen vaak minder kwaad als ruiters die denken te kunnen rijden en het paard de verkeerde aanwijzigen geven. Veel eerlijke paarden hebben geen ervaren ruiter nodig en doen gewoon wat er verlangt wordt, zolang ze daarin niet dwarsgezeten worden. Onze ervaring met beginnende onbevangen ruiters is goed. We leren de ruiters dan ook geen dingen die we niet willen zien, zoals drijven en aan de teugels trekken. Nadeel is wel dat je deze mensen nooit alleen kunt laten leren rijden. Maar zolang het meelifters blijven, is dat geen probleem.

-Wissel als beginnende ruiter eens van paard met een gevorderde ruiter, voel als beginnende ruiter hoe een goed gereden paard aanvoelt en laat het ongegymnastiseerde paard even over aan een goede ruiter. De gouden regel is geen groene ruiter op een groen paard. Koop als beginnende ruiter een gevorderd paard en als je eenmaal verder bent, kun je denken aan zelf een paard op te leiden.

-Voor paarden die hun rug niet gebruiken, en die een ruiter hebben die dit niet op kan lossen, zijn er nog verschillende mogelijkheden. Rijden met een Thieddemannteugel is een goede oplossing. Deze brengt het hoofd naar beneden, maar zodra het paard het hoofd laag genoeg heeft, houdt de Thieddemann op met werken. Een lage en onspannen hoofd/halshouding is uiteindelijk het gevolg, zonder dat de ruiter daar erg veel invloed op had. Bij extreme gevallen, is het rijden met een niet al te strak touw van halster naar de singel (tussen de voorbenen) een oplossing. Let wel dat het paard niet in paniek raakt en achterover valt. Begin met een lang touw, of iets met elastiec erin.

-Vaak willen mensen bitloos rijden, met het gevolg dat ze meer moeten trekken aan het hoofd als met bit, of dat het paard zijn rug niet gebruikt. Bitloos rijden is niet zalig makend, maar als het paard er goed op reageert, kan bitloos rijden onspannend zijn voor ruiter en paard. Let wel dat het paard wel tegen te houden is, als ie weg wil... De dubbele teugel met de combinatie stang en neusriem werkt ideaal. Zolang het paard onder controle is, storen we hem niet in de mond en geven hem lichte aanwijzingen op de neus. Zodra de controle verloren gaat, kunnen we met een lichte hulp aan de indringende stang het paard duidelijk maken wat de bedoeling is. Het mooie hiervan is dat we zacht kunnen zijn als het kan, en streng als het moet.

-Incorrecte beenstanden worden vaak beschermd door beenbescherming, waardoor de beenstanden zich nooit zullen corrigeren. Beter is om de slechte beenstanden te verbeteren door anders te leren staan of lopen. Zo kun je strijken oplossen door er een los touwtje om het been te binden, met de uiteinden tegen het andere been aan. Dit kriebelt en het paard zal de benen wijder uit elkaar gaan zetten. Als de beenstanden niet direct tot grote blessures leiden, kan men ook de natuur zijn gang leren gaan. Een strijkend paard zal bij pijn ook de benen wijder gaan zetten. Beter nog is bij aankoop uit te kijken naar een paard met correcte standen.
Beenbescherming heeft als nadeel dat er vocht en zand onder gaat zitten, wat tot blessures en onstekingen kan leiden, je verliest nog wel eens wat onderweg, en dan heb je alsnog blessures en soms vergeet je het af te doen, wat ook weer vervelende gevolgen heeft.
Helemaal uit den boze zijn bandages! Deze verzwakken op termijn de pezen, kunnen te strak of te los omwikkelend zijn , waardoor bloedafknelling onstaat, of men verliest ze met struikelgevolgen.

-Nog iets over gangen en in groep rijden. Geen enkel paard heeft exact hetzelfde tempo als zijn medepaard. Aanpassen in zowel tempo langzamer als sneller is erg vermoeiend. Het is dus raadzaam hier enigzins rekening mee te houden. Een homogene groep, dat wil zeggen een groep met dezelfde paardenrassen, zal het beste werken. Een deel quarters en een deel warmbloeds zal tot problemen leiden, maar vaak gebeurd dit wel. Mijn idee is dat je het beste voorwaarts kunt oplossen, dus niet gaan inhouden om te wachten op de rest, maar de trage paarden wat meer voorwaarts rijden. Als dit het geval is, las dan voldoende pauzes in om deze paarden rust te gunnen. Is het verschil is tempo erg groot, dan kan het raadzaam zijn de groep te splitsen.

2.11 Verkeersmak en controle.
-Omdat een paard een kuddedier is, leert hij het snelst door andere paarden. Een paard let bij gevaar heel erg op zijn soortgenoten en doet blindelings wat de kudde doet. Dit noemen we syncroniseren. Het is een overlevingssysteem, een instinct. We kunnen hier gebruik van maken door het onzekere paard mee te nemen met ervaren paarden. Als die het niet eng vinden, vindt hij het ook niet meer en uiteindelijk leert hij een boel zelfvertrouwen. Laat in het begin je paard lekker achteraan hobbelen, zodat ie niet echt op hoeft te letten. In fase twee gaan we meer voorop lopen. Je ziet meteen verandering in de oplettendheid (en stress). Het paard richt het hoofd meer op, loopt met gespitste oren en is duidelijk waakzaam op zijn omgeving. Zoek voor een juiste balans tussen nieuwsgierigheid en stress. Begin pas met een volgende fase als het paard helemaal op zijn gemak is. Fase drie is het paard op kop te laten lopen. Soms zal hij aarzelen en zich laten inhalen door een ander paard, maar uiteindelijk heeft hij zoveel moed en zelfvertrouwen dat dit niet meer nodig is. Het beste koppaard is een paard wat van nature een alpha paard zou zijn. Een gids doet er dus goed aan hierop bij aankoop op te letten. Het alpha paard zal vanuit zijn instinct de kopplaats willen innemen en de ruiter ontdoen van een boel zorgen. Hierdoor heeft de ruiter meer tijd om te letten op zijn ruiters, de route en andere zaken.,

-Hebben we geen andere paarden ter beschikking, dan kunnen we als ruiter deze functie overnemen door het paard aan de hand mee te nemen en voorop te lopen. Heeft de ruiter geen problemen met het obstakel, dan zal het paard er ook geen probleem van maken. Later kan de ruiter dit ook vanaf het zadel overbrengen.
-Wandel met je paard op plaatsen waar verkeer is, maar begin met weinig risico.
-Volg speciale cursussen zoals stressvrij paard bij Syntra of Paardenmanieren. Ook kan de Parelli methode uitkomst bieden. De basis van het verkeersmak ligt veelal in het vertrouwen van het paard in de ruiter, en deze kan op dit soort cursussen prima worden aangeleerd.

2.12 Passen bij de eigenschappen van de ruiter, training van de ruiter.
-Bij aankoop van een nieuw paard, is het raadzaam om een geschikt paard te zoeken bij het karakter van de ruiter. Heeft men eenmaal een paard, of neemt men bv een paard over van een familielid, dan zal de ruiter zich aan moeten passen aan het paard. Een zeer dominant paard, zal een nog dominantere ruiter nodig hebben, wil het zich ondergeschikt opstellen. Is de ruiter dit niet, dan zal hij dit moeten leren. Je snapt dat dit niet zo makkelijk is veel tijd zal kosten.
-Een lastig dominant paard past niet bij een onzekere ruiter, onderzijds zal een bang paard niet passen bij een agressieve ruiter.
-Als de eigenschappen van ruiter en paard niet bij elkaar passen, kunnen er behoorlijke problemen onstaan.

-Ook wat betreft lichamelijke kenmerken, doet men er goed aan een juiste match te kiezen. Een grote, lange of zware ruiter staat niet echt op een smal klein paardje en een klein vrouwtje op een heel groot paard zal weleenswaar weinig problemen opleveren, maar daar kleven toch ook wel wat nadelen aan.

-Verder zie je veel mensen aan een bepaald ras verknocht, waardoor ze een volgende keuze weer bij datzelfde ras zoeken. Als je nader op deze combinaties ingaat, zie je vaak dat ze aan bepaalde eigenschappen van het ras gehecht zijn of er werkelijk bij passen.

2.13 Conditie en motivatie.
-Conditie en motivatie gaat tot grote hoogte samen. Als de inspanning het paard weinig moeite kost, zal het met meer plezier en motivatie zijn arbeid verrichten. Om een happy paard te hebben onderweg, zal u het dus goed moeten voorbereiden. Toch kan men ook de motivatie apart trainen. Denk aan de dingen die het paard belangrijk vind, zoals eten, het kuddegevoel, rangorde, etc. Voorkom ten alle tijden dat het paard zich onhappy voelt, dus op tijd drinken, rusten en de mogelijkheden tot rustig plassen, dragen allemaal bij tot een gemotiveerd paard wat bereid is samen te werken met zijn ruiter.

-Over conditietraining kunnen we kort zijn. Het paard dient zijn gevraagde arbeid op een dusdanige manier goed voor te bereiden, dat hij zonder veel moeite en met weinig risico op blessures die arbeid aan kan.
Is het de bedoeling dat we een tocht gaan maken in bergachtig terrein, dan zullen we in de weken ervoor wat vaker moeten gaan trainen om hart en longen voor te bereiden. Dit kan in wat zwaarder klapzand, door wat meer te galoperen en mocht men het bij de hand hebben, het rijden in heuvelachtig terrein. Wil men in een wat hoger tempo rijden, dan zal de training daarop afgesteld moeten worden. Rij dan wat langere draftrajecten en wissel af met galop.
Per paard zal dat anders zijn. Een volbloed Arabier zal maar weinig getraind moeten worden, terwijl een dikke koudbloed een langere tijd achter de vodden gezeten zal moeten worden.
-Vergeet ook niet te trainen met bepakking, want dat kan een behoorlijke domper op de conditie geven. Mooie bijkomstigheid is dat je je bepakking goed kunt uittesten, zodat het op de bewuste tocht niet rammelt en correct in evenwicht ligt.
-Als de conditie niet toereikend is en wil men toch de tocht doen, zorg dan voor zorgvuldige aanpassingen onderweg. Kort bijvoorbeeld een deel van de route af, vermijd steile hellingen en zwaar zand. Voor een georganiseerde trektocht zal dit een belasting zijn voor de overige deelnemers, probeer dit dus te vermijden of in goed overleg te doen.

-Motivatie nader bekeken:
*Eten staat bij paarden op prioriteit nummer een. In de natuur eet het paard de hele dag door en zijn stofwisselingssysteem is daarop ingesteld. Natuurlijk is het niet de bedoeling dat het paard al vretent en bladeren-afrukkend de tocht doorkomt, maar het is wel raadzaam om afspraken te maken met je paard. Dat kan op gezette tijden een korte stop om wat gras tot zich te nemen, of zonder haperingen zo nu en dan een hapje meepikken. Zorg wel dat het niet uitmond in dominantie van het paard en dat de ruiter ten alle tijden degene is die toestemming geeft.
Behalve dat dit systeem een geestelijk happy paard ontwikkeld, is het ook goed voor het lichamelijke welzijn. Het paard heeft onderweg een aangenaam gevuld gevoel en zal minder de neiging hebben om vanuit honger rare dingen te doen.
*Kuddegevoel: Een paard voelt zich veilig in de kudde. Dit draagt al enorm bij tot de motivatie. Als er een paard in galop vertrekt, zal de rest proberen te volgen, dit soms tot ongenoegen van de ruiter. De kudde is in de meeste gevallen belangrijker als de ruiter en dat is een instinct wat moeilijk af te leren is. Gebruik de kudde voor de motivatie van het paard, maar zorg dat je er niet afhankelijk van bent. Dus vraag het paard regelmatig de kudde te negeren en naar de ruiter te luisteren, door van de kudde af te rijden. Maar bij stops en pauzes zal het paard zich veilig voelen in de kudde, zet het dus niet ver buiten de groep...
*Rangorde en plaats in de rij: Een paard wat graag voorop loopt, maak je niet gelukkig door hem achteraan te laten lopen. Andere paarden voelen zich prettiger achterin de groep. Paarden die zich bedreigt voelen door andere paarden, hoger in rangorde of van het andere geslacht, zet je op een positie in de rij waar het zich het beste voelt. (Paarden die slaan zetten we voor de veiligheid achteraan.) Door hier rekening mee te houden, kun je veel ergernis voorkomen.

-Demotivatie: Sommige dingen zullen duidelijk zijn, honger, vermoeidheid, pijn, verlatingsangst zullen niet bijdragen tot een happy paard. Probeer ze dus ten alle tijden te voorkomen.

-Paarden die eenmaal gewend zijn aan het rijden van trektochten, zullen daar oneindig veel plezier aan beleven. Ook het overnachten in prikweitjes en vervoer zal in de meeste gevallen geen probleem zijn. Paarden zijn net als mensen, ook zij gaan graag hun soortgenoten op pad.

2.14 Voorop/alleen kunnen lopen
-Als het paard dit niet graag doet, is het een kwestie van aanleren. In principe kan elk paard dit leren, maar als hij te makkelijk in paniek raakt omdat hij niet zonder kudde durft, is het misschien geen geschikt paard voor elke ruiter.
-Als de ruiter een hoger dominantiegehalte heeft als het paard, is het een kwestie van tijd. Mocht dat niet het geval zijn, dan zal de ruiter altijd problemen blijven houden. Aanvankelijk kan het probleem opgelost lijken, bijvoorbeeld na een training bij een andere ruiter, maar in onverwachte momenten komt toch het probleem weer bovendrijven. Dit zijn de vaak de minst prettige situaties om erachter te komen dat men toch niet het gewenst resultaat had.

Hoofdstuk 3. Voorbeelden van problemen en oplossingen:

3.01 Steile hellingen af.
We hadden een dravermerrie die enorm makkelijk bergaf kon lopen. Ze zakte door de achterhand en gleed min of meer naar beneden. Met gestrekte voorbenen hield ze zich in evenwicht. Het voordeel was dat ze haar rug redelijk horizontaal hield, wat erg aangenaam was voor de ruiter. Ook was het tempo vrijwel gelijk als op een rechte weg, zowel in een staptempo, als een hoger galoptempo (geen draf ivm de beenzetting) was comfortabel en niet angstig. Later hebben we een Lusitano ruin hetzelfde proberen te leren en met succes. Het traject om dit aan te leren is redelijk makkelijk, maar vergt een goed evenwicht van de ruiter, en de nodige lef en zelfvertrouwen om het te doen. Men begint met de basis voor de bodemvastheid en zelfredzaamheid. Zolang dit niet optimaal is, kun je niet beginnen aan deze extreme vorm van training. Dit is inclusief het gemak van helling op en hellingaf kunnen gaan.
Men gaat als volgt te werk: Kies een redelijk steile helling uit met zachte bodem. Laat het paard loodrecht naar beneden lopen en stimuleer onderbrenging van de achterhand door beenhulpen te geven. Doe dit met de nodige voorzichtigheid. In het begin zal het paard onwennig en bang reageren, maar geef het de kans eraan te wennen. Op een gegeven moment zal het paard zijn evenwicht vinden en zelfvertrouwen krijgen. Als we dat voelen, gaan we het tempo stimuleren. Uiteindelijk zal het paard perfect in evenwicht en op eigen benen in een hoog tempo naar beneden lopen.
Dit traject hebben we gedaan met de Lusitano en die heeft daar nu enorm veel voordeel ervan. Met gemak galopeert hij steile hellingen naar beneden, en daarbij laat hij zijn ruiter comfortabel zitten. Omdat hij het gewend is, is het niet gevaarlijk voor blessures of valpartijen.

3.02 (Voorop) leren lopen van notoire stakers
Dezelfde Lusitanoruin zorgde in den beginne voor veel ellende, omdat hij stelselmatig weigerde voorop of alleen te lopen. Het is een dominant paard met een sterke wil. Geduld hielp niks, een pak slaag maakte geen enkele indruk. Uiteindelijk heeft een vorm van straf in combinatie met een vorm van beloning geholpen. Daarbij leek vooral het onthouden van de beloning belangrijk. Bij weigering kreeg het paard echt op zijn kop, terwijl hij bij elke goede daad overdreven beloond werd met o.a. snoepjes. Dit is uiteindelijk zo ver doorgeslagen dat het paard Nederlands kampioen TREC is geworden, op drie onderdelen gereden zonder hoofdstel. Alleen of voorop lopen vind hij nu een feest en hij neemt enorm zijn verantwoording.

3.03 Haastige paarden die slecht opletten.
Ons beste endurancepaard had altijd haast en keek niet waar ze liep. Dit hebben we opgelost door naast de weg te gaan lopen, door het kreupelhout naast de berm. Daarbij lieten we de teugel gewoon helemaal lang. In het begin werd er flink gestruikeld maar al snel ging ze beter opletten. Naderhand tilde ze haar benen hoger op en liep ze met haar neus over de vloer om de makkelijkste weg te vinden. Bij dit soort paarden kun je weing invloed uitoefenen met rijden, maar door dit soort oplossingen te bedenken, moet het paard het zelf uit gaan zoeken en zijn de resultaten er veel sneller.

3.04 Extreem slecht ruggebruik tot hertehals en weggedrukte rug toe.
Hetzelfde endurancepaard bleek na aankoop zo ver de rug weg te drukken, dat normaal rijden niet mogelijk was. Ook sloeg ze met haar hooft achterover tegen het hoofd van de ruiter. Kortom, gevaarlijk en niet te doen. Slofteugel en scherpe bitten hielpen niet. We vonden de oplossing in een halster onder het hoofdtel, met daaraan een kort touw aan de singel. In het begin was het touw langer, maar we maakten het steeds korter tot het daarwerkelijk het hoofd tussen de voorbenen trok. We hebben gewacht met korter maken tot het paard niet meer aan het touw trok of in paniek raakte. Bij dit soort extreme stunts is de nodige voorzichtigheid geboden, maar soms is er geen andere oplossing. Het paard heeft zo een jaar lang gelopen en is daarna een zeer succesvol eventing en endurancepaard geworden. De rug was prachtig gespierd, hoofd en halshouding was steeds laag en het paard heeft nooit zadelproblemen gehad. Voor dit paard was deze extreme oplossing de redding. In haar latere carriere werd ze gereden met een scherpe stang, maar niet om het hoofd naar beneden te houden maar omdat er eigenlijk nooit geen rem op heeft gezeten. Voor de besturing zelf werd er gereden met een touwtje om de hals, maar niet tijdens de wedstrijden. Op de foto zie je haar op de EK in Engeland in 1993.

3.05 Voorbeeldfunctie paarden onderling.
Zoals al eerder vermeld is het raadzaam om een ervaren paard mee te nemen met jonge paarden. Ons voorbeeld betreft een 25 jarige Ijslandermerrie die bijzonder goed voor zichzelf zorgde. Op elk punt dronk ze, binnen elke tien kilometer plaste ze en zodra het pauze was, ging ze op rust staan en deed de ogen dicht. Aanvankelijk stond ze in een tweespan ponies en reed marathonwedstrijden, verder reed ze rond met gehandicapte kinderen. Na haar pensioen bleek ze van onschatbare waarde voor de opleiding van onze jonge paarden. Aanvankelijk thuis, maar later ook op wedstrijden, trektochten en orientatieritten.
Ze werd op een bepaald moment getraind voor de endurance en nam vele jonge Arabische paarden mee op sleeptouw. Haar drinken was een stimulans voor de andere paarden. Haar frequent plassen werd regelmatig nagedaan en op momenten van rust was ze als oudere alpha merrie een goed voorbeeld voor de jonge paarden om zich ook niet druk te maken. Zo werd deze oude dame van grote waarde.
Ze is 36 jaar geworden.

3.06 Dribbelen, niet willen stappen:
Vind een andere oplossing dan trekken aan de teugels, want dat stimuleert het dribbelen alleen maar. Bijvoorbeeld het vragen van zijgangen met drijven met een been en opvangen met de teugel aan diezelfde kant, net zo lang tot het paard goed stapt. Hierdoor wordt de overtollige energie gebruikt en kiest het paard uiteindelijk de wijste weg. Hij leert zichzelf te beheersen zonder dat de ruiter steeds aan de teugels loopt te trekken..

3.07 Bang zijn voor dingen onderweg:
Vooral niet de nadruk leggen op het object, want dat betekent voor het paard dat er daadwerkelijk een gevaar is. Probeer het object luchtig en stressvrij te benaderen, indien nodig met behulp van een ander paard. Als er teveel stress vrij komt, kan de ruiter ook afstappen en voorop lopen, want ook een lopende ruiter dient als voorbeeldfunctie.


Hoofdstuk 4. Supplementen voor trektochtpaarden

4.01 Zeewier
Zeewier is het meest nuttige voedingsupplement wat er bestaat. Niet alleen bevat het alle vitamines, mineralen, sporenelementen en aminozuren, het is ook nog in natuurlijke verhoudingen aanwezig waardoor het goed door het lichaam wordt opgenomen, en belangrijker, ook wordt uitgescheiden. Een ophoping van teveel stoffen of zelfs vergiftiging ervan komt hierbij niet voor. Door het hoge zoutgehalte werkt het positief op de celosmose, wat uitdroging voorkomt. Als het paard geen zware arbeid verricht, is het geven van supplementen niet nodig en is ook zeewier niet aan de orde. Zodra het paard gaat zweten of arbeid gaat verrichten, heeft het baat bij zeewier. Een handje per dag als basisbehoefte en bij warm weer of zware arbeid tot twee handjes. Het paard lust het graag en zal het ook los uit de hand pakken of oplikken.
Je kunt het ook makkelijk meenemen onderweg op trektocht.

4.02 Electrolyte
Electrolyten worden vaak gegeven bij warm weer of bij veel zweten. Het vult de zouten aan die verloren gaan in het warmteafgifte proces. Omdat electrolyten chemisch bereid zijn, niet in natuurlijke verhouding voorkomen en niet automatisch door het lichaam verwerkt worden, schuilt er een duidelijk gevaar in. Als de verhouding water en zouten niet precies goed zijn, zullen de zouten met te weinig water worden opgenomen in de cellen. Hierdoor onstaat een verkeerd evenwicht in de celosmose, waardoor in de cel een overdruk ontstaat en de omgeving van de cel uitdroogt. Geef dus alleen electrolyten bij als het paard goed drinkt, of beter nog, geef het opgelost in water. Als electrolyte niet echt nodig zijn en niet door het lichaam worden opgenomen, of er teveel gegeven wordt, is het zelfde gevaar aanwezig. Het paardenlichaam is erg invertief en kan vaak zonder hulpmiddelen goed uit de voeten. Electrolyten worden gebruikt bij snelle enduranceracers, waar het paard snel door zijn zouten heen zit.
Bij trektochten horen electrolyten eigenlijk helemaal niet thuis en vaak worden ze gegeven door ruiters die te ongerust zijn of zich hebben laten verleiden door verkooppraatjes. Beter is het om met zeewier te werken, wat zonder gevaar toch het nodige aan kan vullen.

4.03 Eucalyptussnoepjes
Er zijn paardensnoepjes in de handel met eucalyptussmaak. Deze zijn behalve erg smakelijk ook goed voor de luchtwegen. Vergelijk dit met snoepjes die mensen nemen als ze verkouden zijn, het benauwd hebben, last van stof of keelpijn hebben. Neem onderweg altijd een zakje mee, als beloning of als je denkt dat het je paard kan helpen.

Hoofdstuk 5. Lastige dingen onderweg.

5.01 Tying up
Tying up is een ernstige spierverzuring met desastreuze gevolgen. Het ontstaat bij een teveel aan melkzuur in de spieren. Een bekende vorm hiervan is maandagziekte, waarbij paarden op hun rustdag meer voedsel krijgen als dat ze met arbeid verwerken. Het teveel wordt dan als reserve in de spiercellen opgeslagen. Bij zwaar werk wordt die overdosis aan celvoedsel te makkelijk omgezet in melkzuur, dat door de snelle omzetting niet vlot genoeg kan worden afgevoerd. Hierdoor onstaat een overdruk in de cel die in het ergste geval uiteen barst. Een paard kan ook aanleg hebben voor tying up, waardoor het een te trage afbraak van melkzuur heeft. De meest voorkomende vorm is echter teveel arbeid waar het paard niet voldoende op is voorbereid. Het paard is niet goed genoeg getraind om de ontstane melkzuur snel genoeg af te voeren of af te breken.
Bij de allereerste constatering is het belangrijk om het paard meteen op rust te zetten. Het zal duidelijk zijn dat bij elke vorm van arbeid de kans op kapot knappen van de cellen groter wordt. Als de tying up niet wordt geconstateerd, zal het paard uiteindelijk geen stap meer verzetten, omdat er een aantal spiercellen inmiddels kapot zijn en het paard de spier niet meer kan of durft te gebruiken. In dat geval kan verder laten lopen dodelijk zijn, opmdat ook het hart een spier is!
Een paard met tying up moet vervoerd worden met de trailer en mag niet verder lopen. Een dierenarts zal het paard een baxter of infuus geven met zoutoplossing, om het melkzuur te neutraliseren en daarna zal het paard een tijd op rust moeten. In het ergste geval moet het paard in de kliniek behandeld worden. Het is belangrijk dat de ruiter op tijd het probleem inziet.

Het mooie van tying up is dat het voor 100% te voorkomen is! Een paard is een organisme wat bijzonder goed werkt op reserves. Dat wil zeggen dat hij eigenlijk geen voedsel nodig heeft om te kunnen lopen. Omdat het een vluchtdier is, wat te allen tijde zichzelf moet kunnen redden door zijn uithoudingsvermogen, kan hij zich zonder voedsel tot wel 100 kilometer verplaatsen. Dit proces is natuurlijk niet eindeloos en de aangesproken reserves dienen weer aangevuld te worden, anders zou het paard bezwijken. Een paard wat zich erg heeft ingespannen heeft daarna weer veel tijd nodig om te herstellen, weer bij te eten, de voorraad reserves weer aan te vullen, etc.
Met deze feiten in het achterhoofd is het niet moeilijk om te bedenken dat voedsel geven vóór een prestatie veel risico met zich meebrengt, terwijl voedsel ná de prestatie geven geheel in harmonie is met het organisme. Paarden dienen sober gehouden te worden, liefst wat te mager zijn. Als voorbereiding op een trektocht veranderen we niets of zeer weinig aan het voedselpatroon. Hoogstens een weinig krachtvoer om de darmen voor te bereiden, zodat deze niet ineens zwaar moeten gaan werken. Dan voeren we na elke dag trektocht zoveel voedsel als het paard nodig zou hebben voor zijn prestatie, en eenmaal thuis, voeren we het paard een week door, tot we vermoeden dat alle reserves geheel zijn aangevuld.

Tying up is chronisch en als paarden eenmaal tying up gehad hebben, zullen ze er sneller opnieuw last van hebben. Verder is de herstelfase van tying up zeer lang, veel mensen beginnen te vroeg om zo snel opnieuw in de problemen te komen. Door bovenstaande kennis van het paardenorganisme toe te passen, kan men echter heel goed met tying up verder leven. Er is een op tying up afgeschreven endurancepaard, wat weer volop in de sport loopt, met winnende resultaten op de 100 km. Dit paard wordt voor de wedstrijd volkomen droog gezet, zodat het zelfs bijna geen reserves meer heeft. Dan loopt het de wedstrijd, tot nu toe probleemloos, en daarna vult de eigenaar zorgvuldig alles weer aan en laat voldoende tijd tussen de wedstrijd om het paard te kunnen laten herstellen. Er zijn vraagtekens bij deze manier van sporten, want hoever moet je gaan om sport te bedrijven? Toch is het heel interessant hoe de eigenaar dit probleem aanpakt en er onesthetisch mee wegkomt. Dit paard wordt op de wedstrijd veelvuldig door dierenartsen nagekeken en ze constateren geen ongezond of onderkomen paard! Zelf zou ik het niet doen…
Wat ik wel doe is met totaal ongetrainde paarden, die sober gehouden worden, dagtochten of trage endurancewedstrijden rijden tot 50 kilometer, waarbij de paarden geen enkele vorm van vermoeidheid vertonen, ook niet in de dagen erna. Een paard is hier van nature op gebouwd. Maar het dient met voorzichtigheid en kennis te gebeuren, want een onervaren ruiter komt hier niet zomaar mee weg (Don't try this at home Fooks…) Ik pluk ze gewoon uit de wei en ga rijden. Maar erna vul ik alles aan en laat ze voldoende herstellen. Ik heb daar nog nooit een enkel probleem mee gehad, alle theorieën van trainingen ten spijt. Ik ga wel uit van paarden die 100% gezond zijn, minimaal 25% Arabisch bloed of draversbloed hebben en van nature een harde basisconditie hebben. Ik denk niet dat dit met elk paard zo maar kan.
Een paard kan veel meer als menig ruiter denkt, en toch wil de ruiter meer als dat het paard kan…

5.02 Koliek
Omdat het paard uit zijn gewone doen is, komt koliek wel eens voor op een trektocht. Onder het rijden zal het zelden zijn, maar na een nacht op onbekend terrein, waarbij het paard bv op een te vette wei stond, kan gaskoliek onstaan zijn. Of op een zandbodem kan het paard zand gegeten hebben (of zand met de wortels van het gras binnen hebben gekregen) Ook kan koliek onstaan door stress, niet op tijd plassen, het veel drinken van koud water, etc. Bij koliek is beweging belangrijk, zolang het niet teveel energie van het paard opeist. Als de oorzaak bekend is, kan het paard verder mee op trektocht, bijvoorbeeld aan de hand, en zal door de beweging de koliek overgaan. Is de oorzaak niet bekend, zoals bovenstaande voorbeelden, dan is het raadzaam de dierenarts te benaderen, alvorens verder te gaan met de tocht.

5.03 Peesblessures
Het is zo gebeurd, een gat in de weg, ongelijke bodem, een steen waarop getrapt wordt en afgegleden, etc. Bij een peesblessure mankt het paard ogenblikkelijk, het been wordt warm en dik. Verdere belasting maakt de blessure alleen maar erger en het paard kan het beste met de trailer worden opgehaald en op rust. Het is raadzaam een dierenarts naar de blessure te laten kijken, want als de schade erg groot is, is mogelijke behandeling noodzakelijk.


Hoofdstuk 6. Gerelateerde paardensporten

6.01 T.R.E.C.
Deze tak van recreatieve wedstrijdsport komt erg dicht bij het rijden van trektochten, het is gebaseerd op alle problemen die men onderweg kan tegen komen en test ruiter en paard op hun trektochtvaardigheden. Het zou goed zijn voor elke trektochtcombinatie om eens deel te nemen aan een TRECwedstrijd, zodat men kan zien op welk vlak men nog zou kunnen bijleren om een veilige en verantwoordelijke trektocht rijden.
TREC valt niet onder de wedstrijdsporten en is geen onderdeel van de sportbonden, zoals de FEI of de aangesloten afdelingen ervan. Het valt onder toerisme en is ondergebracht bij de FITE.

6.02 Endurance
Endurance is het rijden van een lange afstand over een uitgestippelde route en dient zo snel mogelijk gereden te worden, met respect voor de grenzen van het paard. Toch kan het leuk zijn voor een trektochtruiter om eens deel te nemen aan een endurancewedstrijd, om deze elementen te leren kennen. Natuurlijk zal de snelheid van ondergeschikt belang zijn, omdat het trektochtpaard doorgaans niet de eigenschappen heeft van het endurancepaard. Maar op een endurance wedstrijd zijn er van te voren, naderhand en tijdens de wedstrijd veterinaire controles, waarbij het paard wordt doorgelicht door een dierenarts. Het is zeer interessant om te zien hoe je paard zich tijdens een tocht conditionair houdt. Het leert de ruiter wat er zich in het paard afspeelt.
Andersom is het voor een endurancepaard erg goed om op een onspannen manier en in een lagere snelheid, door het terrein te wandelen. Het paard leert andere factoren aan, die hij in de endurance goed kan gebruiken.
Endurance en trektochten hebben overeen dat ze beiden een paard nodig hebben met een goede conditie, sterke benen, goede hart en longen, etc.

Aanvullingen op dit artikel zullen t.z.t. beschikbaar komen, omdat het een onderwerp is wat nooit af is… Er komen altijd weer nieuwe ideeën en tips bij…
Persoonlijke vragen of een update van dit artikel kun je opvragen bij info@flyinghorse.nl

 

Dit artikel is gebruikt als eindwerk voor de VVR/LRV FITE erkende GIDSopleiding

next

homenu